Picture of author.

Sebastian Haffner (1907–1999)

Autor(a) de Defying Hitler: A Memoir

44+ Works 2,958 Membros 42 Críticas 6 Favorited

About the Author

Sebastian Haffner emigrated to London from Berlin in the 1930s and was a vocal critic of the Nazi regime, writing influential articles in the Observer. After the war, he became Germany's pre-eminent political commentator.

Obras por Sebastian Haffner

Defying Hitler: A Memoir (1939) — Autor — 1,057 exemplares
The Meaning of Hitler (1978) 735 exemplares
Churchill (1967) 192 exemplares
Preußen ohne Legende (1979) — Autor — 148 exemplares
Historische Variationen (1995) 23 exemplares
Preussische Profile (1980) 22 exemplares
Zwischen den Kriegen (1900) 15 exemplares
The Devil's General / Germany: Jekyll and Hyde (2005) — Autor — 8 exemplares
Zur Zeitgeschichte: 36 Essays (1982) 8 exemplares
Schreiben für die Freiheit (2001) 7 exemplares
Der neue Krieg (2000) 5 exemplares
Das Wunder an der Marne (1985) 1 exemplar
1987 1 exemplar

Associated Works

Did you ever see Hitler? (1973) — Posfácio, algumas edições38 exemplares
Berlijn-Amsterdam 1920-1940 : wisselwerkingen (1982) — Contribuidor — 8 exemplares

Etiquetado

Conhecimento Comum

Membros

Críticas

I've never read anything like it. A relatively brief brilliant analysis - no footnotes, no references. The author lived in Germany during the war. Discusses Hitler's achievements, successes, mistakes and crimes. He uses achievement to mean an individual accomplishment, and success to mean an accomplishment in competition (Leistung and Erfolg?). Interesting commentary on the Nuremburg trials. My only complaints are that he holds that Hitler's brand of anti-semitism was alien to Germany and came from Eastern Europe, which seems unsupportable to me, and, in his conclusion, claims that Hitler was not a true German, unlike someone like Luther (?!...http://www.jewishvirtuallibrary.org/jsource/anti-semitism/Luther_on_Jews.html)… (mais)
 
Assinalado
markm2315 | 6 outras críticas | Jul 1, 2023 |
Eine wirklich gelungene Analyse dieser Zeit.

Wilhelm, der Plötzliche, führte außenpolitisch einen abenteuerlichen Kurs, der dann in die Katastrophe des 1. Weltkrieges führte. "Freilich muss man zugeben, dass gerade die Außenpolitik der Wilhelminischen Zeit von großer nationaler Zustimmung begleitet war."

Bismarcks Leistungen sind umso höher zu bewerten als in seiner Zeit eher wirtschaftliche Flaute herrschte, ab 1895 bis zum 1. Weltkrieg war Dauer-Hochkonjunktur.

Siehe auch Clark: Die Schlafwandler.… (mais)
 
Assinalado
Clu98 | 1 outra crítica | Mar 1, 2023 |
Vele jaren geleden maakte ik kennis met het werk van Sebastian Haffner door middel van zijn boek Anmerkungen zu Hitler, door Roularta in 2006 in het Nederlands uitgegeven onder de titel Hitler – Een biografie. Nu zijn over het onderwerp daarvan hele bibliotheken vol geschreven en ontelbare biografieën of deelbiografieën gepubliceerd, maar de manier waarop Haffner het aanpakte was uniek en voor mij zeer aansprekend. Ter illustratie geef ik graag de laatste zinnen van dat amper tweehonderd bladzijden dikke boek mee: “Drieëndertig jaar na Hitlers zelfmoord [het boek werd gepubliceerd in 1978, noot van mij] heeft niemand in Duitsland die zich op Hitler beroept en op hem wil inhaken zelfs maar de kleinste politieke kans van een outsider. En dat is maar goed ook. Minder goed is dat de herinnering aan Hitler door de oudere Duitsers is verdrongen en dat de meeste jongeren helemaal niets meer van hem weten. En nog veel minder goed is dat veel Duitsers sinds Hitler geen patriot meer durven te zijn. Want de Duitse geschiedenis is niet afgelopen met Hitler. Wie het tegendeel gelooft en zich daar wellicht over verheugt, heeft geen idee hoezeer hij daarmee Hitlers laatste wil vervult.” Zoals Wikipedia het zegt: “gewaagde uitspraken”. Zoals ik het zie: Haffner wist lappen uit te delen, maar deed dat oordeelkundig, trefzeker, en zonder onderscheid des persoons.

“Wist”, inderdaad, want de auteur van wie ik behalve genoemde biografie en voorliggende Kanttekeningen van een rationele profeet, ook nog Winston Churchill – Een biografie, Het duivelspact – de Duits-Russische betrekkingen van de Eerste tot de Tweede Wereldoorlog, en Het verhaal van een Duitser – 1914-1933 in huis heb, overleed in 1999 op 92-jarige leeftijd in Berlijn, waar hij ook geboren werd, zij het niet onder die naam. Sebastian Haffner was immers de nom de plume die Raimond Pretzel aannam toen hij ging schrijven voor de Engelse krant The Observer. Op die manier hoopte hij zijn familie die in Duitsland achtergebleven was toen hij in 1938 naar Engeland emigreerde tegen bijkomend onheil te beschermen (in Engeland werd hij overigens aan het begin van de Tweede Wereldoorlog… geïnterneerd, iets wat ook een aantal Vlamingen overkwam – zie daarvoor mijn bespreking https://bjornroosebespreekt.blogspot.com/2019/10/naar-engeland-gedeporteerd-vlaa... van Naar Engeland gedeporteerd – Vlaamse geïnterneerden op het eiland Man – 1940-1945 van Carlos H. Vlaemynck). Nadat hij in 1954 als correspondent voor diezelfde krant terugkeerde naar Berlijn en aldaar ook voor verschillende andere dag- en weekbladen als politiek verslaggever aan het werk ging, behield hij dat alias.

Niet echter om voorliggend boek te schrijven: de “rationele profeet” uit de titel is namelijk Haffner zelf en dit boek werd nooit als dusdanig uitgegeven tijdens zijn leven. Het is een bundeling uit 2007, ook weer verschenen bij Roularta, van stukken die eerder verschenen in Stern, The Observer, Die Zeitung (een Duitse emigrantenkrant die vanaf maart 1941 verscheen, een idee dat Haffner achteraf als “gröβenwahnsinnig” beschreef), Forum (Österreichische Monatsblätter für kulturelle Freiheit), en Konkret (het blad van Klaus Rainer Röhl, van wie ik hier Verbotene Trauer – Ende der deutschen Tabus https://bjornroosebespreekt.blogspot.com/2021/08/verbotene-trauer-ende-der-deuts... besprak). Maar ook van hoofdstukken uit bijvoorbeeld Oldenburg und das Ende der Weimarer Republik (uitgegeven door de stad Oldenburg in 1982), Der Vertrag von Versailles (uitgegeven in Munchen in 1978), Ein Volk, ein Reich, ein Führer. Zeitgeschichte in Wort, Bild und Ton, 1933-1937 (verschenen bij Herrsching in 1989), of Gedanken zur Zeit, Rundfunkessays 1947-1997 (in het boek trouwens foutief aangegeven als Gedanken zur Zeit, Rundfunkessays 1949-1997). Én van stukken uit eigen werken als Zur Zeitgeschichte, 36 Essays. Die potpourri betekent helaas ook dat niet alle hoofdstukken even interessant zijn. Geen idee waarom ze dan wél opgenomen zijn, maar samensteller Koos van Weringh schrijft daarover in zijn Nawoord: “De artikelen in Stern leveren commentaar bij de politieke gebeurtenissen van de dag, de Duitse en de internationale. Ze zijn dan ook sterk gedateerd en kunnen zonder uitvoerige studie van de toenmalige achtergronden niet meer onmiddellijk begrepen worden. Maar ze zijn geschreven – soms al te haastig – door een wakkere tijdgenoot, die zich nooit zand in de ogen heeft laten strooien en ongevoelig was voor politieke prietpraat.”

Dat gezegd zijnde, de persoonlijke impressie Afscheid en de historische beschouwingen Duitsland in het interbellum, Het laatste vredesverdrag?, De ondergang van de partijen in het Duitse Rijk, En leid ons direct naar het Derde Rijk, Het nee van Ricarda Huch, De Spaanse Burgeroorlog, en Terugblik op München zijn de interessantste delen van dit boek. Ze zijn geschreven met het voordeel van de afstand in de tijd, evenwichtig, zonder overbodige emoties.

Dat is niet zo met stukken als Sprinkhanen (verschenen in de eerste bestaansweek van Die Zeitung), Heinrich Himmler (met een inschatting van Himmler als “de machtigste man in Europa – Hitler niet uitgezonderd, die hij op ieder moment dat het hem uitkomt, uit de weg zou kunnen ruimen”), De Hitler van 1943, Joseph Goebbels (die “ontdekte dat je met behulp van nauwkeurig berekende en gedoseerde psychologische druk ieder, maar dan ook ieder gewenst gevoel bij een massa kunt oproepen”, iets waar tegenwoordig nog mensen als Marc Van Ranst de vruchten van plukken), of Albert Speer, heerser over de nazi-industrie (die dan weer “nu belangrijker [is] dan Hitler, Himmler, Göring, Goebbels of de generaals”, “allemaal nog slechts handlangers van de man die het reusachtige machtsapparaat leidt, met de opdracht de grootst mogelijke prestatie te leveren onder de grootste druk”). Of met naoorlogse artikels als Kurt Schumacher (over de toenmalige leider van de SPD), Het Marshallplan, of Louise Schroeder (destijds waarnemend burgemeester van Berlijn, later lid van het Europees parlement). Veel van de artikels werden (soms snel) achterhaald door de feiten, bijvoorbeeld Rusland in Duitsland (waarin Haffner zei dat het op de een of andere manier tot een “veldslag” tussen Oost- en West-Duitsland zou komen) of 17 juni 1953 – Aan de lange arm van Rusland (waarin Haffner stelde dat niks de orde in de Sovjetzone nog kon herstellen na de arbeidersopstand van die datum). Veel waren toén ontzettend belangrijk maar zijn nu zo goed als betekenisloos geworden (bijvoorbeeld die over de “affaire” rond Der Spiegel of over de verkiezingen in die jaren, in zoverre die ooit werkelijk enig belang hebben).

Wat niet wil zeggen dat er geen interessante kanten aan zijn. Of grappige, zoals bijvoorbeeld in het artikel over Walter Ulbricht, de toenmalige grote baas van de DDR: “Duitsers zijn ongetwijfeld over het geheel genomen een conservatief volk. Revolutie ligt hun niet, restauratie des te meer. Iets nieuws bekijken ze telkens weer met argwaan en tegenzin, en van het oude houden ze met een romantische liefde. Hun lievelingswoord is ‘wieder’, en het mooiste dat hun kan overkomen, is dat ze gisteren nog eens mee kunnen maken. Het eerste dat bij hen opkwam toen ze hun intrede deden in de geschiedenis, was zoals bekend het herstellen van het ondergegane Romeinse Rijk, een in wezen krankzinnig idee, waar ze echter een half millennium aan hebben besteed.”

Als ik de dienst had uitgemaakt bij Roularta had ik – behalve de corrector een uitbrander gegeven vanwege het laten staan van nogal wat zetfouten – het in dit boek gehouden bij de drie essays waarmee het eindigt – al is het maar omdat die niét over nationaal-socialistisch Duitsland gaan – en de eerder genoemde “interessantste delen van dit boek”. Goed, Het einde van het huwelijk is nog niet in zicht, maar het is zodanig uitgehold dat het dat net zo goed wél kon zijn. Burgerinitiatieven blijven, zeker in Duitsland, een belangrijk fenomeen, dus aan Zin en onzin van de burgerinitiatieven heeft Haffner terecht een dertiental bladzijden besteed. En zijn kijk op De nieuwe oorlog gepubliceerd naar aanleiding van het verschijnen van Theorie des Guerrillakrieges oder Strategie der Dritten Welt van Mao Zedong in 1966 is behalve interessant ook absoluut niet achterhaald (net zomin als de theorie in kwestie van Mao), al mocht Haffner wat minder overdreven hebben in zijn loftuitingen aan het adres van de dictator: “De militaire geschriften van Mao Zedong, waarvan de drie omvangrijkste nu in het Duits zijn vertaald, behoren tot de belangrijkste boeken van deze eeuw. Ze zijn het werk van een magistraal denker en als lezer raak je al onmiddellijk enorm geboeid in het besef dat je hier met een genie te maken hebt”. Mao leerde per slot van rekening ook maar terwijl hij bezig was en dat bezig zijn heeft vele honderdduizenden levens gekost (veel minder overigens dan een keer hij de macht had en alleen nog geïnteresseerd was in hoe hij die macht kon behouden).

Maar terug naar die “interessantste delen van dit boek”. In Afscheid, geschreven in 1983, heeft hij het over zijn afscheid van een joodse vriend als deze besluit nationaal-socialistisch Duitsland te ontvluchten. Een zeer persoonlijk stuk dus, maar ook geschreven met de wijsheid van de man die na meer dan veertig jaar terugblikt op die jaren: “Nu ontving hij me gekrenkt. Hij was niet overstuur, niet bang. Hij was gekrenkt. Veel joden waren dat destijds nog, en ik haast me te zeggen dat dat in mijn ogen buitengewoon voor hen pleit. Intussen hebben de meesten de kracht daartoe verloren. Zij hebben te verschrikkelijke klappen opgelopen. Het is hetzelde proces als dat wat zich, in een paar minuten samengebald, voordoet bij al diegenen die in de concentratiekampen, vastgebonden aan blokken, tot moes worden geslagen: de eerste slag raakt de trots en veroorzaakt een wild verzet van de ziel, de tiende en twintigste raken alleen nog het lichaam en brengen nog slechts gekerm teweeg. De joodse gemeenschap in Duitsland heeft in zes jaar tijd collectief en globaal genomen deze ontwikkeling doorgemaakt”. Of: “Frank kwam, hij kwam met snelle passen de kamer in, leek heel kalm, zijn kalmte had iets bijzonder gespannens en bedachtzaams, als de kalmte van een generaal achter de kaartentafel of ook wel van bepaalde geesteszieken die met een koelbloedige onverstoorbaarheid hun idee-fixe ontvouwen”.

In Duitsland in het interbellum – 1919 tot 1939: zes historische periodes in twintig jaar doet hij dan weer iets dat tegenwoordig bijna niet meer kan: het behalve over de kwade jaren, waarvan er toen natuurlijk massa’s waren, ook hebben over de goede. Ergens na de Tweede Wereldoorlog is door mensen die weten dat de Gedanken niet frei zijn besloten dat Hitler een monster was, dat alles aan nationaal-socialistisch Duitsland verkeerd was, en dat bijvoorbeeld ook nationalisme op de brandstapel hoorde (terwijl Hitler een imperialist was die zich alleen van het nationalisme bediende als machtsinstrument), maar Haffner ging daar in ieder geval nog tegen in: “Op 1934 volgden drie jaren van relatieve rust: de ‘goede nazi-jaren’ 1935-1937. De terreur neemt af (hoewel ze niet helemaal verdwijnt) en bovendien: herstel van volledige werkgelegenheid door economische groei, buitenlandspolitieke successen, militaire versterking, Hitler spreekt over vrede en de Olympische Spelen worden in Berlijn gehouden. Op een andere manier vormden deze jaren voor de gemiddelde Duitser, ondanks het verdwijnen van de vrijheid, een haast even goede tijd als de gouden jaren twintig.” Zijn patriottisme blijkt trouwens mooi uit details als deze wanneer hij het heeft over “de chaos van de eerste vijf naoorlogse jaren” (1919-1924 dus): “Dat is de viervoudige schok van de verloren oorlog, de gestrande revolutie, het gehate en tot wantrouwen leidende vredesverdrag en de financiële ramp die de bestaanszekerheid aantast. Al deze vier beproevingen op zichzelf zouden voor alle volkeren al zwaar en moeilijk te verstouwen zijn geweest. Alle vier samen waren te veel voor de Duitsers”. Subtiel, maar toch getuigend van een enorme liefde voor zijn volk, zou ik durven zeggen. Een volk dat hij vervolgens terecht ook niet verwijt dat het geloofd heeft in de dolkstootlegende en geen enkele waardering toonde voor de republiek van Weimar. En “helpers” die hij, ook al terecht, verwijt dat ze een serieuze inspanning gedaan hebben om Duitsland in de handen van Hitler te drijven: “De schuld van de herstelbetalingen bleef (…) staan. Duitsland moest die op basis van het nieuwe akkoord in jaarlijkse termijnen aflossen, zonder dat er een totaalbedrag was vastgesteld. En om aan die verplichtingen te kunnen voldoen, verstrekten de Amerikanen voorlopig leningen. De kredieten waren zelfs hoger dan de vereiste herstelbetalingen, zodat er nog iets overbleef voor de wederopbouw. Het was een soort kringloop: Duitsland betaalde voor het herstel van de oorlogsschade aan Engeland en Frankrijk, die landen betaalden hun oorlogsschuld aan Amerika, en Amerika pompte weer leningen naar Duitsland. Zolang de kringloop werkte, waren alle betrokken landen tevreden [wie gelijkenissen ziet met wat er tegenwoordig omgaat tussen, bijvoorbeeld het IMF, de “sponsors” daarvan, en de zogenaamde ontwikkelingslanden, ziet die terecht, noot van mij]. In 1930 kwam hij evenwel tot stilstand tengevolge van de Amerikaanse beurskrach. Amerika pompte niet meer, het haalde integendeel geld terug, zodat ook in Duitsland alles weer instortte, niet alleen de economie, maar vrijwel onmiddellijk ook het politieke bestel. De groei die tevreden had gestemd, bleek slechts schijn te zijn geweest”.

Enfin, ik kan blijven doorgaan met citeren, er is in die “interessantste delen van dit boek” werkelijk niks dat niet wetens- en citerenswaardig is. Maar ik kan niet blijven doorgaan met deze boekbespreking (anders haakt u maar af), dus houd ik het verder bij nog één hoofdstuk, zijnde Het nee van Ricarda Huch. Huch was, zoals veel dichters en schrijvers, in de jaren 1920 lid geworden van de Pruisische Academie voor Kunsten, en kwam in 1933 voor de keuze te staan om die te verlaten of om te blijven onder de voorwaarden die de nationaal-socialisten stelden, zoals geïnterpreteerd door de schrijvers die er wilden aan voldoen: “Bent u onder erkenning van de gewijzigde historische situatie bereid uw persoon nog aan de Pruisische Academie voor Kunsten te verbinden? Een positief antwoord op deze vraag sluit publiekelijke deelname aan verzet tegen de regering uit en verplicht u tot loyale medewerking aan de statutair vastgelegde nationaal-culturele taken van de academie in de zin van de gewijzigde historische situatie”. Van de 27 leden antwoordden er achttien met “ja” en zelfs het “nee” van de meeste anderen klonk, dixit Haffner, “bijzonder wankelmoedig”. Thomas Mann bijvoorbeeld schreef dat hij “geenszin van plan [was] iets tegen de regering te ondernemen”, maar dat hij “besloten [had zich] voortaan in alle afzondering aan (…) [zijn] persoonlijke taken te wijden”. Niet zo Ricarda Huch. Die schreef dat ze “geen afstand [wou] doen van het recht op vrije meningsuiting” en dat haar lidmaatschap dus als beëindigd mocht beschouwd worden”.

Een bewonderenswaardige beslissing, maar niet de reden waarom ik het over dit hoofdstuk wou hebben. Die reden is de tongue-in-cheekhumor van Haffner die zich hier zeer sterk etaleert samen met z’n visie op schrijvers en hun verhouding tot de overheid. Om maar met dat eerste te beginnen: als hij het heeft over Inge Jens, naar aanleiding van wiens boek Dichter zwischen rechts und links hij dit stuk geschreven heeft, zegt hij: “Ze vertelt het verhaal over een verloren zaak met alle meelevende partijdigheid die geschiedschrijvers van een verloren zaak zo vaak aan de dag leggen. Tevens getuigt ze van het – hoe zal ik het zeggen? – menslievende optimisme dat in wezen nog steeds hoopt dat we van fouten uit het verleden zullen leren, zodat we het een volgende keer beter kunnen doen”. Wat de verhouding tot de overheid betreft, schrijft hij dan weer dit: “Inzegening door de overheid past schrijvers niet, zoals het ook de overheid niet past zich met de veren van de literatuur te tooien. Als koppel slaan beide, overheid en literatuur, een even droevige als belachelijke figuur, de literatuur nog meer dan de overheid. Schrijvers op het staatstoneel, dat zijn zwanen op het land”. En wat het schrijverswereldje an sich aangaat: “Helaas echter dachten de romanschrijvers en dichters die op het aanbod ingingen, helemaal niet aan het opwaarderen van de staat. In het beste geval wilden ze het aanzien van de literatuur of van het schrijversgilde vergroten. Niet zelden echter dachten ze – hoe kan het ook anders – vooral aan hun eigen positie. Dat kun je hen niet kwalijk nemen. Tenslotte was en is het bestaan van een schrijver in Duitsland (en niet alleen daar) in de meeste gevallen geen sinecure. Hij speelt mee in een loterij met veel nieten. Hij steekt jaren van eenzame, hartstochtelijke en uitputtende arbeid in een roman of dichtbundel, en het resultaat? Rijk wordt hij bijna nooit. Van iedere generatie schrijvers wordt hooguit een handjevol beroemd; een paar tientallen maken naam in een kleine of wat grotere kring van vakbroeders en kenners en leiden een sober en telkens door nieuwe modes bedreigd bestaan zolang de kleine voorraad inspiratie strekt. Voor verreweg de meesten is het een zee van teleurstelling, vernedering, uitbranders en spot van de kritiek, berusting of verbittering, én armoede en misère. Toen de literatuur eensklaps als het ware in de adelstand werd verheven, hoopten ze uiteraard allemaal op statusverhoging van het hele schrijversgilde, maar uiteraard hoopten ze nog meer dat ze zelf meer lezers, meer geld, meer respect, meer status zouden krijgen, en dat natuurlijk ten koste van degenen die het niet zo nodig hadden. Schrijvers zijn namelijk niet solidair met elkaar, wat gezien hun positie niet verwonderlijk is. Ze zitten elkaar allemaal in de weg (Goethe: ‘Leef je dan wanneer anderen leven?’), allemaal hebben ze een scherp oog voor de zwakheden van hun concurrenten die zij, als individu of in kliekjes, permanent het leven zuur maken. De wereld van de literatuur is onder meer een soort onderwereld, en als je die tot overheidsinstituut en geestesaristocratie verheft, dan moet het wel fout lopen. (…) De kliek is de natuurlijke organisatievorm in de literaire wereld. De sectie voor literatuur bestond ook uit kliekjes, en omdat die niets anders te doen hadden, bestreden ze elkaar. Dat is, naast hun werk, sowieso de voornaamste bezigheid van schrijvers. Het enige wat de academie bewerkstelligde, was dat het eeuwige gekrakeel uit de literaire bijlagen naar de politieke krantenpagina’s werd overgeplant. En door het zo belangrijker te maken dan het was, joeg ze het allemaal maar aan. Schrijversruzies worden immers vooral gemaakt om aandacht te trekken”. Wie het recente gedoe over en van de Antwerpse “stadsdichters” wil begrijpen, heeft hieraan voldoende.

Björn Roose
… (mais)
 
Assinalado
Bjorn_Roose | 1 outra crítica | Nov 12, 2022 |
Lehet, Haffnernek igaza van, amikor az mondja: ha nincs Hitler, akkor Churchillnek itt a nevét se ismernénk. Jó, pár angol történelemre specializálódott csodabogár tudná, hogy volt egy brit politikus, aki eszement vastag könyveket írt az angolszász népek történelméről meg szépapjáról, Marlborough hercegéről, a nagy hadvezérről, de kábé ennyi. És az nagyon rossz volna, hisz semmit se mondanának nekünk az ilyen ikonikus képek:



Azt hinnénk, valami chicagói gengsztervezérről készültek, pedig nem. Bár tegyük hozzá, ha Churchill nem is volt gengsztervezér, problémás csávó volt világ életében. Az iskolarendszert például kiváltképp rühellte, gyakorlatilag egyszemélyes sztrájkot folytatott ellene az iskolapadból. Ha nem lett volna apja maga is egykori miniszter és Lord, a konzervatív politika egyik megújítója, akkor a kis Churchill alighanem mehetett volna a McDonald'sba tányért mosni, ehelyett lovastiszt lett a brit hadseregben. És itt meg is találta azt, amire mindig is vágyott: a harcot. Ennek köszönhette, hogy Albion egyre inkább felfigyelt rá, dél-afrikai kalandja* pedig igazi korabeli celebbé tette. Winston pedig profitált ebből. Egyrészt alkalmi újságíróként ** elárasztotta a lapokat szórakoztatóbbnál szórakoztatóbb riportokkal, amelyekben bizony alaposan elverte a port saját munkaadóin, a hadsereg stratégáin. (Nem csoda, hogy nem is igazán szerették a vezérkarban a nagyszájú hadnagyocskát.) Másfelől pedig megízlelte a politika ízét, és úgy fest, az efféle harc jobban is ízlett neki, mint a csatározás a birodalom perifériáin.

Szóval Churchill betrappolt az alsóházba, természetesen mint konzervatív képviselő, hisz mi más lenne egy Marlborough-leszármazott. Aztán gyakorlatilag azzal a lendülettel át is trappolt a liberálisokhoz, országos botrányt okozva. Hát igen, Winston elég célvezérelt ürge volt - mivel úgy érezte, a konzervatívok kutyába se veszik, ráadásul leszálló ágban is vannak, ezért megéri neki inkább a liberálisokkal tartani***. Ezzel persze elemi haragot gerjesztett maga ellen konzervatív oldalon, és ami azt illeti, a liberálisok se különösebben bíztak benne. Akárhogy is, a számítása bevált, mert számos miniszteri posztot betöltött, Lloyd George-dzsal együtt meghatározó figurájává lett a liberálisoknak, és mielőtt kitört a háború, megkapta az álommelót is: ő lett az Admiralitásért felelős miniszter. Magyarán övé lett az összes csecse hajó, a Brit Birodalom öklei, amivel Anglia uralta a tengereket. És mégis belebukott.

Pedig Haffner szerint Churchill remek érzékkel vágott bele a dolgokba. Rendbe szedte a flottát, amikor pedig kitört a háború, tutibiztos receptje volt a győzelemre: azt akarta, erősítsék meg Antwerpent, mert akkor lesz egy erődjük a németek hátában, így azok nem tudnak majd merev frontvonalat kiépíteni Franciaországban. Gyanús, hogy neki volt igaza, de hiába, mert lehurrogták, nem biztosítottak neki elegendő eszközt a terv véghezviteléhez. Aztán jött az újabb pazar Churchill-idea: üssék ki Törökországot a háborúból, így megteremtenék a közvetlen összeköttetést az oroszokkal, ráadásul nyitnának egy újabb frontot a Balkánon****, amivel alaposan aláfűtenének a tengelyhatalmaknak. Nos, erre már több erőforrást tudott mozgósítani, partra is szálltak a britek Gallipolinál, de bele is rokkantak, mert a törökök a vártnál erősebbnek bizonyultak. Szegény Churchill pedig megbukott.

Na most ha nagyjából ebben az időpontban Adolf Schicklgruber nevű kadét valahol a nyugati fronton telibekap egy gránátszilánkot, majd elvérzik a lövészárokban, akkor itt lényegében befejeződhetne az értékelésem. Még ejtenék pár szót arról, hogy Churchill az írói szakmára fanyalodott, kitanulta a kőmíveskedést, szorgalmazta durva beavatkozást a bolsevik állam ellen (sikertelenül), oszt ennyi, zárómondat. De a fenn említett Adolf sajnos nem halt meg, népvezérré képezte magát, és elkezdte megenni Európát. Anglia meg - ami ekkoriban bele volt bolondulva a megbékélés politikájába - hagyta. Churchill volt az egyetlen, aki vidéki magányából bőszen ostorozta az ostoba politikát, bohócnak is tartották miatta. Egy ideig. Mert ahogy kezdett (nagyjából München után) világossá válni, hogy Chamberlain Hitler lekenyerezésére tett erőfeszítéseivel nem megy semmire, és itt bizony háború lesz - úgy vált Winstonunk (akire egyre inkább illet a "jó öreg" jelző) egyre népszerűbbé. Nem csoda, hogy amint kitört a háború, megint élre tört: előbb újra kezébe nyomták az Admiralitás vezetését, majd - Chamberlain bukása után - a miniszterelnökséget is.

Nagyon nem mélyednék bele főhősünk második világháborús szerepvállalásába, mert arról annyian írtak már annyit, hogy az több mint elég. (John Lukacs pedig még a "több mint elég"-nél is többet írt erről.) Lényeg, hogy Churchill a maga bulldogmentalitásával elérte, hogy a britek kitartsanak, sőt: azzal, hogy az amerikaiakat is okos politikával magához kötötte, megágyazott a szövetségnek, amely végül térdre kényszerítette Németországot. Nélküle talán az egész történelem máshogy alakult volna - és ezen vajmi keveset változtat, hogy ha a háborút meg is nyerte, a békét elveszítette. A világégésből ugyanis egy gazdaságilag megrokkant Anglia került ki, amely saját gyarmatait sem tudta már gyeplőszáron tartani. Olyan birodalom volt már, amely eltörpült az új nagyok, az USA és a Szovjetunió mellett, és bizony Churchill minden trükkje kevés volt ahhoz, hogy ezen a helyzeten érdemben változtathasson. És arról ne is beszéljünk, hogy '45-ben még a miniszterelnöki pozíciót is elbukta - úgy voltak vele a szavazók, hogy Winston jó volt a háborús időkre, de a békét menedzselje inkább valaki más. Innentől kezdve az életpálya már, mondhatni, unalmas. Bár volt itt még egy-két dolog, fultoni beszéd (a "vasfüggönyös", tudjátok), újabb miniszterelnökség, de igazából semmi extra, a háborús szerepvállaláshoz képest. Búcsúzzunk is el inkább itt Churchilltől: a csúcsponton.

Gördülékeny életrajz, nagyszerű publicisztikai stílusban megírva. Haffner szereti Churchillt, ez nem vitás, de emberi-politikusi hibáit sem hallgatja el. Nem elégszik meg a puszta adatközléssel, elemez, hipotézisei vannak, sőt, néha még a pszichologizálásban is elmerül (amit mondjuk nem mindig honoráltam). Néha megszalad ugyan a tolla ("egymás sorsává lettek", mondja például Hitlerről és Churchillről), de végig élvezetes olvasmány, laikusnak talán a legjobb, ami Churchillről ajánlható.

* Hősiesen megvédett ugyanis a búrok ellen egy mozdonyt, fogságba esett, majd megszökött, és egy szál magában, térkép nélkül, pár tábla csokival a zsebében elballagott Mozambikig. Ezzel pedig elérte, hogy egész London róla beszéljen.
** Az újságírás és egyáltalán, az írás végigkísérte innentől kezdve Churchill életét. Volt olyan periódus, amikor ez jelentette egyetlen bevételét - mert hiába volt többször is miniszter, valamiért nem lopta szénné magát. Tudom, ez innen, Kelet-Európából nézve tök hihetetlen.
*** Aztán amikor a liberálisok kerülnek leszálló ágba, a két világháború között, minden további nélkül visszasétál a konzervatívokhoz. Haffner eme pálfordulását nagyobb megértéssel kezeli, nem annyira opportunizmust lát benne, mint valódi aggodalmat a szocializmus térnyerése miatt, amit szerinte a liberálisok nem kezeltek megfelelően.
**** Úgy látszik, a balkáni frontok ilyen becsípődések voltak nála - a második világháborúban is mindent megtett volna azért, hogy a szövetségesek ott szálljanak partra.
… (mais)
 
Assinalado
Kuszma | 5 outras críticas | Jul 2, 2022 |

Prémios

You May Also Like

Associated Authors

Oliver Pretzel Afterword
Uwe Soukup Afterword
Claudio Groff Translator
Belén Santana Translator
Piet Jaarsma Translator
Joop Reijers Cover designer
Mark Roseman Introduction
Jean Lopez Préface
Ole Hansen-Löve Translator
Frits Boterman Afterword
Max de Metz Translator
Ewald Osers Translator
Sjoerd de Jong Translator, Editor
Jean Steinberg Translator
M.C. Brands Preface
Neal Ascherson Introduction
Kurt Baudisch Translator
Wilfrid David Translator
Gerrit Bussink Translator
Hubert Smeets Afterword

Estatísticas

Obras
44
Also by
2
Membros
2,958
Popularidade
#8,627
Avaliação
4.1
Críticas
42
ISBN
249
Línguas
21
Marcado como favorito
6

Tabelas & Gráficos